Onverwachts worden er drie flaconnetjes tussen mijn stapels met papieren op mijn bureau gekwakt.
‘Wat moet ik hiermee’ vraag ik aan mijn vrouwelijke collega die de schuldige is van deze deponage.
‘Da’s voor de Mexicaanse griep’ zegt ze en wilt doorlopen.
‘Ho, ho’ houd ik haar staande, ‘wat moet ik er mee, opdrinken of zo iets’.
Met een ongeloof in haar ogen staart ze mij aan.
‘En ik wil trouwens geen Mexicaanse griep, dus neem die flesjes maar weer mee’ beveel ik haar.
‘Het is tegen de Mexicaanse griep slimmerik’ zegt ze en haar rechter wenkbrauw trekt ze met deze woorden sexy omhoog.
Ze loopt verder en deponeert op elk bureau een drietal flaconnen.
Ik besluit met de drie indringers en ruimte opslokkers eens kennis te maken en bekijk de flesjes.
Alle drie behoren ze tot de familie van desinfecterende middelen zie ik van respectabele afstand.
Toch verschillen ze van elkaar.
Een heeft een pompje, de ander een verstuiver en de laatste een soort van schenkdop met een vernuftig ontwikkeld lipje met een gaatje dat omhoog geklikt kan worden.
Met enige argwaan pak ik een van de flaconnetjes op, die met de verstuiver.
“Desiflex” lees ik, desinfecterende vloeistof voor toetsenborden, computermuizen en telefoons.
Op een volgende “ Antides” het flacon met de schenktuit kan ik lezen dat de inhoud een gel bevat dat het bureaublad bacterie vrij houd.
Als ik het laatste flesje onderzoekt, met een inhoud van desinfecterende gel dat de handen zonder water en zeep virusloos kan houden hoor ik een luid genies.
Mijn waarde flacon rond strooiende collega proest haar neus schoon.
Ik staar naar mijn flaconnetjes die ik stuk voor stuk in de handen gehad heb en kijk de collega weer aan.
‘Taco’s gegeten gisteren’ zeg ik laconiek.
‘Ha, ha’ is haar antwoord en ze gaat verder met uitdelen van haar cadeaux.
De anti-infectie middelen storen mij in het werk, ik krijg er rare gedachten over.
Alles wat ik aanraak krijgt een ziekelijk tintje.
Zelfs de zeeppomp op de bedrijfstoilet is vervangen door een speciale antiflu inrichting.
De papieren handdoekenmachine werkt op afstand.
Even wapperen met de hand en het velletje rolt met een mechanisch geluid uit het apparaat.
‘Alles goed en wel’ denk ik, ‘de deurklink moet toch weer naar beneden anders kom ik niet verder’.
‘En is de cirkel weer rond’ speel ik met de flu gedachte verder als ik mijn telefoon oppakt als deze luidruchtig begint de tuten.
‘En nu helemaal’ als ik op verzoek van de stem in de hoorn enkele toetsen van de computer indruk.
‘Nu is er geen speld meer tussen te krijgen’ schiet mijn gedachten verder al wrijvend over het bureaublad.
De spinsels in mijn brein krijgen de overhand en verzorgen mijn angstige griepienes.
Ik pak het spuitflaconnetje en sproei rijkelijk op het toetsenbord, telefoon en muis.
Neem daarna het flesje met de schenktuit en giet wat middel op het bureaublad.
Reikend naar een papierendoekje dat virusvangend op een stapeltje een bureau verder ligt, stoot ik de flacon met de handgel om waar ik zojuist het dopje van afgedraaid had om even te ruiken of het inderdaad zonder alcohol was.
Als ik na enige moeite het papierendoekje te pakken heb en ik terugzwenk naar mijn eigen bureau ontwaard mij een schuimende en sissende massa desinfecterende bende.
Het borrelt tussen de F1 tot en met de Del toets.
Mijn muis lijkt tot leven gewekt en glibbert met kleine flitsjes.
Het vanochtend met zorg door de schoonmaak gepoetste bureaublad vertoond groene slijmerige snot wat zich dreigt vast te bijten in de fabriekslak.
‘Hier komt één papierendoekje niet van pas’ mompel ik neem een kleine sprint naar het bureau met de grote stapel doekjes.
Ik ruk deze van het bureau en begin driftig mijn werkplek te ontdoen van alles wat enigszins desinfecterend er uit ziet.
De flaconnetjes belanden in de prullenbak.
Het toetsenbord wordt bedekt met doeken en onderste boven gelegd over de prullenbak.
Glibberend wordt de muis in doeken gewikkeld en in bij de hand zijnde doos gegooid.
Met veel doeken begin ik alles wat schuimt, glibbert en groen besnot is te redden wat er te redden valt.
Ik ben net lekker bezig als de telefoon gaat.
Als in een reflex pak ik de hoorn van de haak en druk deze tegen het oor.
‘Met…….Getver de getver’ en kwak de hoorn weer neer.
Naast mijn oor hoor ik gesis en geschuim en als door een bij, wesp, muscito gestoken ren ik naar de toiletruimte.
Alle antiflu regels ten spijt, ik overtreed ze, vlieg ik naar binnen en stort mij op de wasbak en de zwaar geďnfecteerde kraan.
Als ik na mijn schoonmaak beurt terug kom op kantoor tuut de telefoon nijdig.
Met doeken maak ik de hoorn schoon en neemt op.
‘Zeg wat was dat nou’ hoor ik boos de stem van mijn baas.
‘Tja’ zeg ik ‘ik had mij vergist in het juiste flaconntje’.
‘Het juiste wat?’ vraagt hij.
‘We hebben sinds vandaag van die rare desinfecterende flaconnetjes, voor ieder apparaat eentje.
En ik had de verkeerde gebruikt voor de telefoon.’
‘Ja en?’
‘ En toen schuimde mijn oor’ verklaar ik.
Het is even stil en daarna toetert een luid gelach in mijn oor.
‘Och dat heb je met dat opgedrongen smetvrees van tegenwoordig’ probeer ik door het gebulder uit te komen, ‘ je lijkt wel een poetsvrouw tussen de bedrijven door.’
‘Smetpoetsvrouwhouw’ hoor ik nog net voordat de verbinding verbroken wordt.
Louis.