home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Mag ik je kaartje? punt.nl

 

Carmiggelen
Taal | voorstellen | 27 Juni 2007 | 23:35:35
Het woord Carmiggelen is nergens te vinden, in geen enkel woordenboek of pseudo woordenboek. Het is slechts een, door de bezitter van deze weblog, verzonnen woord. De betekenis van dit uniek verzonnen woord stelt in het geheel weinig of niets voor. Dit is anders met de naam en persoon waar aan dit woord zich ontleend heeft. De schrijver Simon Carmiggelt ( 7 oktober 1913- 30 november 1987 ) heeft vele werken op zijn naam staan die de Nederlandse literatuur enorm verijkt heeft en de lezers daarmee vele plezierige uren heeft geschonken. De man stelde zich peinzend aan de zijlijn en beschreef de tekort komingen van de mens in melancholieke humor. Dit deed hij op eigenwijze met de ironische zinswendingen. Dit alles beschreven in fijnzinnige verhalen met tragikomische trekjes. Deze kleine verhaaltjes met een  humoristische ironie, gestoelt op kleine leugentjes, vervormingen en onwaarheiden noem ik Carmiggelen. Daar ik, in mijzelf de ironie en melancholie herken leek het mij een leuk idee om een log te gebruiken onder de naam Carmiggelen. Ik zal ver van de genieuze wijze van schrijven van Simon staan, maar ik ga proberen in het schrijven van mijn verhaaltjes, meningen, mijmeringen, opinie in de vorm van prozaatjes, te groeien en mij zelf te verbeteren. Verwacht van mij geen taalpuristische kunststukjes, want deze zullen nimmer verschijnen. Eerder zal ik de lezers verblijden met vertellingen uit de losse pols. Dat neemt niet weg dat ik gaarne reacties wil ontvangen om te lezen of mijn hersenspinsels kant en wal raken, zodat ik kan meten dat ik op de goede weg ben of dat ik terug op mijn schreden moet.

In ieder geval wens ik de lezer veel plezier met mijn Carmiggelen.

Louis

reacties 33 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 1160

Mag ik je kaartje?

Pietjes
Taal | Kuieren | 13 September 2010 | 22:08:02
Florissant zittend op het terras van ’T Vierkantje te Schiedam en ons een koning te rijk voelend met voor ons op het tafeltje vers neergezette koele glazen, gevuld met evenzeer koel bier volgen wij, mijn oude schoolvriend Kees en ik de voorbij glijdende mensen stroom.
Het is een zomerse lome maar drukke zaterdag dus het mag een wonder heten dat we, na wat geslenter door de winkelstraten, een plekje hebben kunnen bemachtigen.
We laten ons het koele vocht goed smaken en laten de geledigde glazen nogmaals vullen.
In afwachting van de bestelling steek ik een pijp op en Kees ontvlamt een Longfilter sigaar.
‘Het zijn net Pietjes’ zegt hij een beetje afwezig, meer tegen het ledige dan direct tegen mij.
‘Pietjes?’ vraag ik hem na enkele seconden bedenktijd en nadat de ober onze volle glazen heeft gebracht.
‘Ja, Pietjes’ is zijn nog een beetje afwezig antwoord.
Ik puf wat geurige rookwolkjes onder de parasol en brengt het glas na een toost naar mijn mond.
Ter hoogte van mijn kin hou ik mijn hand met het glas stil.
‘Leg mij eens uit wat Pietjes zijn in jou verbeelding’ vraag ik over het witte schuim.
Mijn vriend neemt wel een slok terwijl mijn glas nog ergens in de omgeving van mijn kin hangt.
Als hij het glas weer op het viltje terug gezet en mij gesommeerd heeft een koele slok te nemen omdat het al zo warm is trekt zijn mondhoeken van oor tot oor zoals ik dat herken van vroeger als hij een vrolijke of geinige uiteenzetting van een woordspeling of gebeurtenis ging doen.
‘Ik zal je een hint geven wat ik met Pietjes bedoel en als je het raad dan betaal ik nog een rondje’ en na dit gezegd te hebben gaat hij staan, loopt naar het einde van het terras.
Met zijn arm omhoog gebogen te hoogte van zijn oor begint Kees als een idioot schommelend heen en weer te lopen.
Om zijn act nog meer kracht bij te zetten buigt hij daarbij iets door de knieën.
Zowel de hele bevolking van het terras als ik zat verbouwereerd te kijken.
‘Ik begrijp niet wat je bedoel’ riep ik naar Kees.
‘Zal het nog eens doen’ riep hij terug en begon weer schommelend te lopen maar nu neuriede hij er bij.
‘Dit is een Pietje’ zei hij toe hij terug was en rustig zonder applaus ging zitten.
Hij veegde de zweedpareltjes van zijn voorhoofd en blies wat in de lucht.
‘Is geen doen met dit weer zo’n voorstelling’.
‘Maar heb je het nu begrepen?’ vroeg hij.
‘Geen zins’ antwoordde ik.
Mijn hand stak ik in de lucht om de aandacht van de ober te krijgen voor een volgende bestelling.
‘Ik kom zo bij u meneer’ liet hij blijken dat hij mij gezien had.
Nadat de rekening betaald was aan het tafeltje vooraan het terras kwam hij naar ons toe.
‘Deed u Pietje na meneer?’ begon hij tegen mijn vriend Kees en nam onze bestelling op.
‘Dat is goed geraden meneer’ zei Kees.
‘Pietje was een oom van mij, best een aardige vent maar een beetje raar’ en met zijn vinger draaide hij rond de zijkant van zijn hoofd en liep naar binnen om de bestelling door te geven.
‘Ik weet nog steeds niet wie je bedoeld’ zeg ik tegen Kees.
‘Weet je toch nog wel vroeger toen we nog erg jong waren, dat, zo in de jaren zeventig, er altijd op zaterdagen een jonge, voor ons als kleintjes oude, man in de Hoofdstraat met een transistor-radio aan zijn oor heen en weer liep.
Hij schommelde altijd van links naar rechts en draaide aan de volume knop.’
‘Oh, Pietje’ zei ik lichtend en zag de man weer voor mij.
‘Hij zong altijd een beetje mee, en liep de hele zaterdag, in weer en wind, heen en weer’.
‘Juistum’
‘Maar wat zijn dan Pietjes?’ vroeg ik.
‘Ik ben in de jaren tachtig begonnen om iedereen Pietje te noemen die ik zag lopen met een Getto-blaster aan zijn of haar oor liep’ maakte Kees zich iets duidelijker.
‘Dat waren er nog niet veel, maar later met de Walkman en de Discman werd de populatie groter’.
In gedachten zag ik vele Pietjes met oordopjes heen en weer lopen door de Hoofdstraat, allemaal keurig achter elkaar op de zelfde maat van links naar rechts schommelen. 
‘Maar ik vergat het Pietjes syndroom snel omdat die apparaten nauwelijks hoorbaar waren’ ging Kees verder met zijn Pietjes verhaal.
‘Maar sinds ik een krantenbezorger heb die met zijn Ipod of hoe zo’n ding ook mag heten en mij ’s ochtends uit mijn slaap haalt met basloze scherpe slis muziek is Pietje of beter gezegd zijn de Pietjes weer terug.
‘Telkens als ik groepjes zie, net als vanmiddag, met van die slis dingen noem ik ze Pietjes’ eindigt Kees zijn betoog.
‘Och Ja Pietje’ zeg ik nogmaals en vraag de rekening.
‘Wat zal er van hem geworden zijn’ vraag ik aan Kees als we ons gelag betaald hebben, tussen de vele Pietjes de stad verder in lopen, hij woont tenslotte nog in de stad.
‘Ik zal het niet weten, we kunnen even de ober vragen maar dan moeten we even terug’ zegt hij.
Even twijfel ik om dat te doen, maar ergens vind ik het wel mysterieus om een onverwachte herinnering te laten wat het is want leeft de oude Piet niet vort in de moderne Pietjes?
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reacties 6 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 206


Het takje
Taal | Column | 22 Juli 2010 | 22:18:36
Heel fier stond ze eigenwijs de lucht in te wijzen.
Behoorlijk irritant en hoogmoedig zo uitstekend boven haar mede groengenoten.
Als enige overgebleven na een nodige snoeibeurt.
Brutaal zichtbaar voor iedereen van uit elke hoek, oost, west, zuid en noord.
Ook van onderen, recht er tegenover en van boven stak ze de ruimte in.
Vanuit de luie fauteuil werd de ogen gedwongen haar op te merken, afleidend te werken en van de stuk te brengen.
Plezierig te genieten van het comfort die een fauteuil kan brengen was niet meer mogelijk na die verdraaide snoeibeurt.
Ze was het toonbeeld van het aantonen van falen, slijtage of houdbaarheidsdatum van het tuingereedschap.
En dat wist ze, want ze liet de nieuwe schone, frisse jonge blaadjes de vrije uitloop.
Tergend langzaam kwelde ze de buiten wereld met haar overwinning.
Het moest opvallen en daar zorgde ze voor.
Het frisse groen was nog frisser dan al het andere frisse van het hele boompje.
De bladeren werden groter dan alle anderen.
Heel pontificaal showde ze haar trots, midden op het terras van de uitbouw.
Pijnlijk irritant stond ze maar te stralen, dag in en dag uit, het piekerig vergeten takje.
Om haar heen, gesnoeide takjes, keurig opmaat en in een mooie bolvorm.
Dit allemaal op een pronkig dun stammetje.
En op een dag, een van wind en regen, trokken de ogen, zoals elke dag, naar het irriterende, dag verpestende, takje.
Maar de ogen priemde in een leegte, de schokte even en staarde weer de leegte in.
Ze zagen grijze wolken die jaagde door de wind en spiedde de hemel af.
Op de plek waar het parmantige takje de wereld trots overzag en haar stralend groen overdadig liet zien, was lucht, grijze lucht.
En een stukje er onder een wat dikkere tak.
De stam stond fier en eigenwijs in de grijze lucht te prikken.
Verdrietig en armzalig.
Splinters en flappende reepjes bast maakte haar slordig en naakt.
Ze stak in de lucht en was zielig zichtbaar voor iedereen vanuit iedere hoek, oost, west, zuid en noord.
De wind rukte aan de stam en bleef haar plagen.
En ineens met een luide klap viel de pot waarin ze stond in duizend stukjes op het terras.
De leegte die ontstond was leeg, saai, inspiratieloos en zonder ijkpunt.
 
Louis

zie: groepslog.punt.nl
reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 198


Opruimen
Taal/Column | Column | 05 Juli 2010 | 22:02:25
‘Leef je nog?’ was de titel van een mailtje dat ik onlangs kreeg.
Omdat het adres mij bekent voor kwam opende ik het nieuwsgierig.
Het schermpje met de tekst doemde op en het met schuin geschreven letters bericht was klaar om gelezen te worden.
‘Beste, het is al enige tijd geleden dat je enig werk gepubliceerd hebt en ik wordt een beetje moe om elke dag voor niets op jouw site te klikken.
Omdat mijn trouw geklik niet beloond wordt met een meer of minder grappig verhaal maak ik mij zorgen.
Vandaar dit bericht met de botte vraag of je nog leeft.
In afwachting van het heugelijke antwoord dat ik mij voor niets bezorgd heb gemaakt verblijf ik je.
 
Je vriend Simon.’
 
Simon is een trouw fanaticus in het lezen van alles wat ik schrijf en reageer niet volgens de normale berichtenservice die een site bied maar alleen via een E mail bericht.
Simon is een fanaticus in het opsporen van E mail adressen zonder het persoonlijk te vragen.
Hoe, dat zegt hij niet, dat is zijn geheim.
Ik had hem eens na het eerste schutterige mail verkeer gevraagd hoe hij aan mijn adres kwam.
Zijn antwoord was kort en zonder omwegen duidelijk.
‘Jij hebt de kunst om verhalen te schrijven, ik heb weer kennis van andere zaken’.
Doordat de mailwisseling vriendelijk verkeerde heb ik het maar niet meer over gehad en zolang het hier bij blijft vind ik het wel prettig, dat fan mail.
 
‘Beste Simon, Ik ben gelukkig nog steeds in het land der levenden en ben van plan daarin nog heel lang te vertoeven.
Dat ik een lange tijd niet geschreven hebt komt door tijd gebrek.
Ik ben de afgelopen tijd bezig geweest met de grote opruiming.
Het schiet al aardig op dus binnenkort zal ik weer voldoende tijd en inspiratie hebben om weer aan het schrijven te slaan.
 
Groeten.
 
Soms jok ik een beetje, voor best wil zoals gezegd wordt, ook tegen Simon.
Het houd de correspondentie een beetje levendig.
Echter in het tegenbericht was niets gejokt en het lokte ook geen verdere correspondentie uit na het verzenden.
Ik was inderdaad bezig geweest met opruimen en ik had daardoor te weinig tijd voor schrijverijen.
Mijn vrouw was weer eens gestruikeld over een zorgvuldig opgestapelde stapel ongelezen boeken en haar maat was vol geraakt.
‘Je ruimt die boeken op of ik mieter ze weg’ zei ze nijdig.
Nu wordt in huize Carmiggelen geen boek ongelezen uit het huis verwijderd of uitgezet dus was mijn enige sociale actie deze omgevallen stapel ongelezen leeswerk weer netjes en zorgvuldig op te stapelen en ze van uitzetting te behoeden.
Opruimen was dus het devies de afgelopen tijd.
Eigenlijk lezen was het credo en dat kost tijd.
Maar gelukkig het zit er bijna op, dat ijverige opruimen.
De boeken zijn gelezen en zijn reeds weer zorgvuldig opgestapeld, naast de andere zijde van mijn fauteuil dat een betrekkelijke veilige zone is voor de fraaie benen van mijn vrouw, in afwachting van hun plaats in een van de boeken kasten.
Die moeten ook weer eens opnieuw gerangschikt en opgeruimd worden.
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reacties 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 222


Erfenisje
Taal | Kuieren | 12 Mei 2010 | 09:45:41
 
In het warenhuisrestaurant had ik mij met veel moeite een tafeltje kunnen bemachtigen nadat ik bij de buffetkassa mijn kopje koffie had afgerekend.
Mijn ogen spiedde na het betalen de ruimte door en al schuifelend met de dagcourant onder mijn arm geklemd en in mijn hand de kop en schotel met het warme vocht laveerde ik tussen de tafels door.
Door het stevig klemmen van de krant tegen mijn romp voelde ik een krampje op komen en juist op het moment dat ik de keus had om mijn arm te ontspannen en het dagblad te laten schieten, stond er een stelletje op zodat ik een mooi tafeltje voor twee aan het raam helemaal voor mezelf had bemachtigd.
Met een plof liet ik mij zakken op de bank en liet de krant schieten.
Pontificaal spreidde ik de krant uit en plaatste de kop met schotel strategisch daarnaast.
Ik bladerde al koppensnellend door de courant, af en toe een artikel lezend en zo nu en dan een slok koffie nemend en met regelmaat keek ik het restaurant door.
Het was erg druk en er was geen zitplaats meer over, alleen de stoel tegenover mij was nog onbezet.
 
Ze kwam al in de verte aangelopen, een kordaat stappende oude dame die net als ik in haar hand een kop en schotel had.
‘Is deze stoel vrij’ was haar vraag met een vaste stem en zonder mijn antwoord af te wachten ging ze zitten.
Even keken we elkaar aan en leken het zelfde te denken, eindelijk een plaatsje vrij.
Ik gaf haar een knikje, uit beleefdheid en tegelijk als korte groet, en begon weer in de krant te bladeren.
‘Hč hč’ zuchtte de oude dame, ‘Hij is dood’.
Ze zei dit in zich zelf, ik keek haar even aan en raadpleegde daarna snel de pagina die opengeslagen lag om te zien welke beroemdheid het loodje gelegd had.
Ik keek haar weer even aan, keek weer naar de pagina’s en weer naar haar want ik kon geen artikel vinden die het verscheiden van welke bekendheid dan ook melde.
‘Pardon, wie is er dood’ vroeg ik haar en keek na die vraag voor de zekerheid toch weer alle kolommen na.
‘Sorry meneer, maar het overlijden van mijn man staat er nog niet in’ gaf zij ter antwoord.
‘ Hij is net heen gegaan naar een betere plek zoals ze plegen te zeggen’.
‘Oh, gecondoleerd met het verlies mevrouw’ betuigde ik de voor mij vreemde oude dame mijn deelneming voor iemand die ik niet kende.
‘Dank u wel meneer, ik ben wel aan een kopje koffie toe’ gaf zij ons gesprek een vreemde klank en de voegde daad bij het wordt.
Er was geen spoortje te zien van droefenis en dat bevreemde mij.
Zij nam de schotel op en bracht het ter hoogte van haar keel, daar pakte ze pas het kopje van de schotel en met een sierlijk gebaar bracht ze het kopje naar haar mond.
Na een minuscule kanteling zette ze het kopje weer op de schotel en het koffiestelletje werd weer op tafel gezet.
‘Drie en negentig was hij, en nooit ziek geweest, echt meneer nog nooit, niet eens een onschuldig griepje’ hernam ze het gesprek over haar overleden man.
‘Tegenwoordig hoor je van die rare griepen waar je als normaal mens akelig van wordt, maar hij heeft nooit een griepje gehad’.
‘Ja wel eens een verkoudje, maar daar trok hij niets van aan’.
Ze bracht op de zelfde manier haar kopje naar haar mond en dronk het geheel in enkele teugen op.
‘Maar het laatste jaar, het kwam ineens op die gevreesde ziekte, ik weet het nog als de dag van gisteren’ een beetje afwezig roerde ze met het lepeltje in het lege kopje.
Ondanks het vervelende onderwerp vond ik het toch een beetje gezellig en ik voelde dat de oude dame dit ook zo ervaarde.
‘Lust u nog een kopje’ vroeg ik aan haar.
Ze liet een beetje geschrokken het lepeltje los dat in het kopje rinkelde.
Met een afwezige blik knikte ze en automatisch stapelde ze onze kopjes op.
Als in een vertrouwd gebaar pakte ik ze op en ging ze weg brengen waarna ik na enkele minuten terug kwam met twee kopjes koffie en twee flinke punten appeltaart.
‘Alstublieft’ zei ik toen ik het op de tafel neerzette, ‘ik heb gelijk maar wat lekkers mee genomen’.
‘Dat is erg vriendelijk van u’ en haar gelaat vertoonde een beetje vrolijkheid.
Om ons nog meer ruimte te geven vouwde ik de courant op en legde deze naast mij.
‘Als we niet beter wisten, lijkt het wel een feestje’ zei ze tussen twee flinke happen appeltaart.
We keuvelen nog wat en het is mij gewoonte om in zo’n geval de pijp te voorschijn te halen en sinds de rooklegging hiermee te spelen en alvast voor te stoppen voor buiten.
‘Dat is ook zeldzaam’ zegt ze verwonderd wijzend naar mijn pijp.
‘Mijn man rookte vroeger ook altijd een pijp’ en geschrokken zegt ze er achter aan’ zei ik vroeger?.
We dronken de koffie en zij praatte en praatte terwijl ik het verleden van haar met haar man aan hoorde.
Ik haalde nog twee kopjes en zij vertelde verder en verder.
En met een zelfde zucht stopte ze met praten werden haar ogen vochtig maar krulde haar lippen in een glimlach.
Een glimlach zoals oude mensen tevreden en berusten kunnen doen.
‘Fijn met u te kunnen praten’ zei ze en ze stapelde de kopjes weer op.
‘U bent een fijne toehoorder en een geduldig mens, en ook gul dat vergat ik bijna’.
Ze rommelde wat in haar handtas en voordat ik kon zeggen dat het niet hoefde, legde ze een klein donkerblauw fluweelfoedraaltje op de tafel.
‘Alstublieft, als dank’ en met een fijne dag nog stond ze op en liep ze weg.
Met kordate passen zag ik haar door het grote raam langs mij lopen.
Ze keek mij door het raam aan, zwaaide en wees met haar vinger naar de tafel waar het foedraaltje lag.
Ik zat alleen aan de tafel en klikte benieuwd de drukknoop los van het fluwelenzakje en haalde er een pijpentamper uit.
Toen ik even later buiten mijn pijp aanstak drukte ik behoedzaam de tabak wat aan met mijn nieuwe tamper van goud.
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 177


Openhartig
Taal | Struikelingen | 11 April 2010 | 17:34:14
 
Ze stond net als ik te wachten op de lift die tergend langzaam door de schacht van het flatgebouw, tegenwoordig appartementencomplex, naar beneden moest komen.
Ik keek van opzij naar de jongedame en concludeerde dat ze voor de tijd van het jaar vreselijk schaars gekleed was.
Daar stond ik, haar schuins aankijkend, in mijn dikke overjas met kippenvel op de armen bij het aanblik van haar.
‘Wat doet het kind zich aan’ dacht ik terwijl mijn ogen haar contouren volgde.
Ze was hooggehakt geschoeid en haar strakke slanke benen omwonden door een fijn gemaasde net panty van een onduidelijke mysterieuze roodachtige kleur.
De panty was zo fijn van net dat de gemiddelde visser er jaloers op zou kunnen zijn.
Haar kort dun jasje verborg een uiterst korte rok, waarvan een minuscuul dun streepje zichtbaar was.
Waarschijnlijk trok haar forse boezem het dunne jasje iets omhoog wat de reden zou kunnen zijn van dat ondeugende streepje korte rok.
Mijn onderzoekenden steelse blik scheen haar op te vallen waardoor ze met een brutaal oogopslag naar mij keek en spannend glimlachte.
‘Heeft u het niet koud’ probeerde ik mijn situatie te redden want ik voelde mij een vieze gluurder pur sang.
‘Valt wel mee hoor’ zei ze zacht terug,’ik ben niet buiten geweest’.
Ik moet een rare vragende grimas getrokken hebben want ze lachte plots haar tanden bloot.
Haar kolkende blije lach vulde de hal van het complex en vrolijkte de donkerte op.
‘U denkt toch niet dat ik in mijn bijna niksie met dit weer naar buiten gaat’.
‘Eerlijk gezegd dacht ik dit van wel’ antwoordde ik haar’.
‘Maar meneer, dan loop ik het een en ander op, ik ben niet van Lotje’ lachte ze verder.
‘Ik woon hier en kom net van boven’.
‘Maar u staat op de lift te wachten net als ik, of bent u iets vergeten?’
‘Dan zou ik daarna naar buiten moeten, maar ik zei u al dat ik niet van Lotje bent’.
‘Vind u het erg dat ik het niet begrijpt’ zei ik haar, haar totaal niet begrijpend.
Intussen hoorden we een zachte plof van de lift en ging de schuifdeur open.
Beiden stapte de cabine in en beleeft vroegen we tegelijk aan elkaar op welke etage ieder moest zijn.
Ik drukte de gewenste genummerde knopjes in en leunde tegen een van de drie stalenmuren.
‘Ik zal u uitleggen hoe het zit’ zei ze met ondeugende pretlichtjes in haar ogen, of waren het voorpretlichtjes.
Dat is iets wat ik niet heb durven vragen.
‘Mijn vriend houd van spannend’ begon ze haar openhartig gesprek.
‘Zo af en toe heeft hij een verzetje nodig’.
‘Ach zo’ mompelde ik en ik voelde een beetje extra bloed richting de wangen gepompt worden en dat kwam niet alleen door dat ze het over een verzetje had maar ook door dat mijn ogen naar haar boezem getrokken werden.
Ze was gevaarlijk tegenover mij gaan staan en ik kon zo in haar laag gedecolleteerde dunne jasje de pronkstukken zien.
‘Wij spelen dan een voorbedacht verzetje’ ging zij verder.
‘Al dagen beginnen we een scenario te verzinnen, wat op zich al opwindend is’.
‘Dat zal wel’ zei ik flauw glimlachend tegen haar en ik kreeg het warmer.
Ik begreep nu waarom ze luchtig gekleed was ondanks de vijf graden Celsius buiten.
‘Vandaag ben ik zijn speeltje die hij besteld heeft’ knip oogde ze verstandhoudend.
‘Och wat grappig’ kwam ongemakkelijk uit mijn strot.
‘Dat is niet grappig hoor, het is meer een noodzaak’
‘Een noodzaak?’ vroeg ik.
‘Ja anders zoekt hij het buiten de deur ben ik bang’.
‘Dat kan ik niet geloven, zo mooie meid als u zal hij toch geen verdriet doen’ zei ik vol ongeloof en wat meer op mijn gemak.
‘Ik ben bang van wel, en wat dan nog het is een spannend spelletje’.
Dat het spannend zou kunnen zijn geloofde ik wel gezien de vrolijkheid waarmee ze het zei, de pretlichtjes in haar ogen werden vuriger.
‘De vorige keer was hij loodgieter en stond hij met zijn gereedschapskist en alleen een overall aan voor de deur’.
‘Het was min negen en ik heb net gedaan alsof ik niet thuis was.’
‘Stond hij zeker vijftien minuten te blauwbekken voor de deur op de galerij.’
‘Brrrrrrr’ zei ik.
‘Ik heb hem lekker warm gemaakt’ ging ze verder,’maar hij was dagen daarna verkouden’
Ze rolde haar lach door de lift van de na pret.
De lift stopte op de etage waar ze moest zijn.
‘Ik ben er, nou doei’ en met een hand gebaar verliet ze de lift.
‘ Veel plezier’ riep ik haar nog na nog voordat de deuren zich sloten.
Ik zoefde langzaam naar boven en stapte even later enkele etages hoger de hal in.
Met moeite kreeg ik de deur naar de galerij open omdat de wind haar vast zoog in de sponningen.
Stilletjes hoopte ik voor de jongen dame dat haar vriend thuis zou zijn
 
Louis

zie: groepslog.punt.nl
reacties 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 177


Ver. T.H.B.v/h D.V.D.H. (slot)
Taal | Verhalen | 09 Februari 2010 | 21:31:36
 
 De oprichting van de vereniging Tot Het Bevorderen van het Dragen Van De Hoed in het straatbeeld (en andere respectabele hoofddeksels).
 
De voorlopige voorzitter liep met een rood doorbloed hoofd door de gangen en besloot zijn opwinding te delen met de frisse buitenlucht.
Met forse tred bewandelde hij het hoogpolige tapijt in de uitgestorven ontbijtzaal van het tot schande gebrachte etablissement.
Zijn blik stuurs en boosaardig vlotte hij naar de openstaande tuindeuren en wapperde de lange banen vitrage weg uit zijn gelaat.
Pas na het bereiken van het bordes stopte hij voor de balustrade, stak zijn beide duimen in zijn vestzakken, links en rechts, pufte wat oude boze lucht uit zijn longen en zoog verse, verkwikkende zuurstof zijn longblaasjes in.
‘Dekselse blaaskaak’ mopperde hij zachtjes voor zich uit.
‘Beschamend om zonder hoofdbescherming in potten en pannen te peddelen’.
Dhr Berkelmans wiebelt wat op zijn bal van de linker voet.
Ook wiebelt hij wat op de bal van zijn rechter voet.
Zo wiebelde en zoog hij een tijdje en bedaarde hij van de aanvaring met de hoofddekseloze chef de cuisine.
Hij besloot, in het hoofd opgeklaard en de bloeddruk weer op normaal niveau, maar eens te kijken of het voorlopige omgezet kon worden naar het permanente.
Wederom omdraaiend op zijn hakken zette hij de pas wederom door de ontbijtsalon, daarna door de ruimte die gebruikt werd voor het diner, maar alleen voor hooggeplaatste personages met een flink gevulde portemonnee.
Met nog steeds de duimen in de vestzakken liep hij door de openstaande deuren van dit vertrek, goed oplettend niet weer de zelfde fout te maken en weer in aanvaring te komen met het opgeblazen hoogstandje van een pannenlikker.
Na nog wat kleine dwalingen naderde Dhr Berkelmans de vergaderruimte waar zijn voorlopig bestuur van de “vereniging voor het bevorderen voor het dragen van de hoed in het straatbeeld”.
Met een licht trilling van zijn rechterhand, die inmiddels was los gelaten door de vestzak, drukte hij de deurklink neder.
Met een verwachtingsvolle blik trad hij de ruimte binnen en op dat moment stonden alle leden van het voorlopige bestuur luid klappend op.
 
Als door een wonder bescheen een fel licht het gelaat van Dhr Diederick van Hoed.
De gordijnhaken ratelden tegen de gordijnrails bij het open trekken van de raamdecoratie.
‘Op staan lieverd’ zegt een lieve stem.
‘Nog even en je komt te laat bij de hoedenmaker en de kostuummaker voor je trouwpak’
Nog slaapdronken stapt Diederick met z’n bloten voeten op het verkoelende zeil en loopt richting zijn aanstaande.
‘Goede morgen schat’ en hij kust haar op de wang.
‘Nog een paar dagen en dan wordt Juffrouw Komen mevrouw de Hoed’
Juffrouw Komen knort liefjes en kust hem terug.
‘Ik heb een goede naam voor onze winkel’ fluistert ze in zijn oor.’
‘Nou laat horen’ zegt Diederick al vechtend met zijn pantalon.
‘ Hoed en Komen u tegemoet’
 
Louis
 

zie: groepslog.punt.nl
reacties 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 206


IJsbloemen
Taal | mijmeringen | 05 Januari 2010 | 21:26:33
 
‘Wat ziet uw raam van de schuur er uit’ zei een van mijn nichtjes die een middagje op bezoek was en ervoor naar de televisie had gekeken tegelijk wijzend naar het betreffende raam.
‘Dat zijn ijsbloemen’ vertelde ik haar.
‘Wat zijn dat ijsbloemen’ vroeg zij.
‘Dat zijn bloemen die groeien op ramen door de kou’ was mijn antwoord met de bedoeling iets pedagogisch uit te lokken.
Want het gebeurt niet vaak dat ik de wijsheid heb om een onderwerp onderwijzend tot een goed einde te brengen.
Maar met haar antwoord ‘Oh’ werd deze in de minuscule kiem gesmoord en keek zijn weer naar de televisie waarop een van de achterlijke tekenfilms te zien was met van die rare figuren die niets menselijks hadden en haar aandacht vast hield.
Ik probeerde het nog met haar te vertellen dat dit verschijnsel vroeger vaak voorkwam in de winter maar ze keek gepassioneerd naar het beeldscherm.
Omdat zij haar aandacht nodig had voor wat uit het digitale kastje kwam en zichtbaar werd op mijn oude breedbeeldtelevisie zag ik mijn kans schoon om buiten in de kou een pijpje op te steken.
Ik sloop via de keukendeur de tuin in en zocht een beschut plekje.
Mijn pijp was al op voorhand gestopt dus met een beschermde hand voor de pijpenkop ging het vlammetje richting tabak.
Zo lustig van de tabak genietend dwaalde mij ogen af naar het met ijsbloemen versierde schuurraam.
‘Ja dit zie je niet zovaak meer’ sprak ik in mijzelf.
En wellicht door de opkomende nostalgische herinnering stond ik onbedoeld in mijn schuur.
Met mijn pijp in de mond stond ik te kijken naar het raam vol met magische bloemen.
Ik zette mijzelf neer op de opgestapelde tuinstoelen en mijmerde naar vervlogen tijden.
Tijden van strenge vorst met dagenlang schaatsen en elke dag ijsbloemen op de ramen.
We konden als kinderen er mooie tekeningen van maken door met de nagel in het raamijs te krassen.
Met het omhulsel van een balpen bliezen mijn broer en ik gaatjes in het ijs en gaven de tekening meer licht.
 
Met mijn pijp tussen de kaken sta ik op en begint met mijn nagel over het raam te krassen.
Een beetje wiebelend trek ik een lijn van links naar rechts tot het midden.
Dan gaat de nagel naar beneden een beetje scheef en dat herhaal ik in gedachten van rechts naar links.
Een horizon met een schuine weg staat op het raam.
Ik kras wat door, bomen, bosjes en een soort van dorpscontour ontstaat op het raam.
‘Nu blazen’ spreek ik in mezelf en ga op zoek naar een balpen of iets waar ik doorheen kan blazen.
De gereedschapskist wordt onderworpen aan het onderzoek, alle laden loop ik na.
‘Wat zoekt u oom?’ vraagt mijn nichtje die blijkbaar de interesse van de tv is kwijtgeraakt en mij is komen zoeken.
‘Een balpen of een dunpijpje waar ik doorheen kan blazen, een rietje is ook goed’ mompel ik al doorzoekend afwezig tegen haar.
‘Zijn deze ook goed’ vraagt ze en als ik mijzelf omdraai zie ik haar handje vol met viltstiften.
Mijn ogen beginnen te twinkelen,’Ja deze zijn uitstekend’.
En ik pak een van de stiften aan waarna ik driftig het dopje van de bovenkant probeer eraf te krijgen.
‘Waarvoor heeft u het nodig oom’ vraagt ze.
Ik wijs naar het raam van de schuur waarop ik getekend heb.
‘Pemig wat mooi’ zegt ze en wilt met haar vinger over het ijs gaan.
‘Nog niet kleintje’ zeg ik en houd haar tegen.
‘Ik zal je laten zien hoeveel plezier we konden hebben van een raam met ijsbloemen’.
Nog steeds murmel ik aan de viltstift om het afsluitdopje eraf te krijgen.
‘U moet aan de punt draaien’ zegt ze en klimt op de stapel tuinstoelen.
‘Kijk zo’ en gezeten als op een troon toont ze mij hoe ik het moet doen.
De punt is makkelijk te verwijderen en de inktstift glijd er snel uit.
Alleen moet het bovenste dopje er nog wel af om te kunnen blazen.
Ik vertel haar wat de bedoeling is en dat de viltstift omhulsel eigenlijk niet bruikbaar is als het dopje er niet af kan.
‘Snijden’ zegt ze met zeer korte bewoording.
‘Maar dan gaat de stift kapot en droogt ze uit’ leg ik uit.
‘Ik heb er toch genoeg want ik heb een boel van sinterklaas gekregen en deze zijn bijna leeg’.
Met dit aanbod van haar zaag ik een klein stukje van het uiteinde van het kokertje.
Ik zet deze aan mijn mond en begint zachtjes er doorheen te blazen tegen het raam.
De ijsbloemen verliezen hier en daar hun adembenemende betovering omdat het door dooiwater glad wordt en weer snel aanvriest.
‘Wat doet u het goed oom, mag ik ook eens?’
‘Natuurlijk geef maar een stift’ en binnen geen tijd heeft zij ook blaaspijpje.
Met z’n twee blazen we zachtjes tegen het raam en maken met onze nagels de tekening nog mooier.
Zij maakt te zon en ik enkele wolken.
Er komt een soort van koe in de wei en ik maak er een hek om heen.
Ik teken een kerk in de horizon en zij aan de andere kant een moskee inclusief de maansikkel.
Als we even later vanuit het kamervenster met een warme kop chocolademelk naar het schuurraam kijken zien we ons kunstwerk langzaam vervagen door de zon die de ijsbloemen doen smelten.
‘Wat jammer’ zeg ze met een bruine snor van de melk.
‘Morgen is het raam weer vol gegroeid’ zeg ik.
‘Vol gebloeid’ verbeterd ze mij.
‘Ja’ zeg ik ‘ vol gebloeid’.
 
Louis

zie: groepslog.punt.nl
reacties 5 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 685


Ver. T.H.B.v/h D.V.D.H. (7)
Taal | Verhalen | 01 November 2009 | 22:07:56
 
De oprichting van de vereniging Tot Het Bevorderen van het Dragen Van De Hoed in het straatbeeld (en andere respectabele hoofddeksels).
 
De voorlopige bestuursleden keken de Dhr Putjes verbaasd aan.
Zelfs Mevr Putjes staarde haar man met koortsige ogen aan.
‘Je hebt gelijk’ zei ze tegen haar man,’het zijn duistere tijden voor het hoofddeksel en we moeten er gezamenlijk wat aan doen, maar om de voortreffelijke Heer Berkelmans een lichtend voorbeeld te noemen?’
‘Is hij dat voor ons en de rest van de gemeenschap dan niet?’ vroeg Dhr Putjes en zijn blik ging het gezelschap rond.
‘Het is niet mis te verstaan dat u dat vind Meneer Putjes’ nam Dhr Diederick van Hoed het woord.
‘Dhr Berkelmans is een overweldigende spreker’ en hierbij keek Diederick van Hoed op zijn beurt de aanwezigen aan.
‘Ja dat is hij’ bevestigden alle aanwezigen.
‘Hij heeft een doel voor de samenleving in het algemeen en de vereniging in het bijzonder’ ging Diederick verder.
‘Ja dat heeft hij’ zeiden allen.
‘Zijn scherpzinnigheid en opmerkzaamheid is groot’ sprak Diederick de grote woorden met een crescendo.
‘Ja dat is’ crescendeerden de anderen.
‘Wel nu aanwezigen, waarom dan zo gedraal, waarom alleen opmerken dat Dhr Berkelmans een lichtend voorbeeld is!
Niet alleen beschijnt hij ons pad, neen niet alleen dat maar ook houd hij ons wakker en waakzaam als het over de hoed gaat en het hoofddeksel in het algemeen.
Dhr Berkelmans is de persoon om ons te leiden, een aanvoerder is hij in deze belangrijke strijd.
Om zijn woorden vrijelijk te gebruiken, het straatbeeld is verloederd, verguist en verpauperd enkel en alleen omdat het hoofddeksel niet meer in zwang is.
Om dit tij te keren heeft hij het voortouw genomen en wij, wij dralen en komen niet tot een beslissing om deze voorlopige voorzitter, voorzitter te maken zodat al het voorlopige naar het  permanente gekeerd wordt.
Wij denken aan winsten als het hoofddeksel weer het straatbeeld domineert’ en Diederick keek hierbij Dhr en Mvr Putjes aan.
Met rossige wangen keken ze elkaar beschaamd aan.
‘We moeten nu beslissen, voordat hij terug komt’ opperde Mevr van Komen.
‘U heeft mooi gesproken en ons weer op het doel gewezen’ ging zij verder.
Allen bezonk even in een serene stilte om het gesprokene te laten bezinken.
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reactie 1 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 175


Opgedrongen smetvrees
Struikelingen | 12 Oktober 2009 | 21:27:31
 
Onverwachts worden er drie flaconnetjes tussen mijn stapels met papieren op mijn bureau gekwakt.
‘Wat moet ik hiermee’ vraag ik aan mijn vrouwelijke collega die de schuldige is van deze deponage.
‘Da’s voor de Mexicaanse griep’ zegt ze en wilt doorlopen.
‘Ho, ho’ houd ik haar staande, ‘wat moet ik er mee, opdrinken of zo iets’.
Met een ongeloof in haar ogen staart ze mij aan.
‘En ik wil trouwens geen Mexicaanse griep, dus neem die flesjes maar weer mee’ beveel ik haar.
‘Het is tegen de Mexicaanse griep slimmerik’ zegt ze en haar rechter wenkbrauw trekt ze met deze woorden sexy omhoog.
Ze loopt verder en deponeert op elk bureau een drietal flaconnen.
Ik besluit met de drie indringers en ruimte opslokkers eens kennis te maken en bekijk de flesjes.
Alle drie behoren ze tot de familie van desinfecterende middelen zie ik van respectabele afstand.
Toch verschillen ze van elkaar.
Een heeft een pompje, de ander een verstuiver en de laatste een soort van schenkdop met een vernuftig ontwikkeld lipje met een gaatje dat omhoog geklikt kan worden.
Met enige argwaan pak ik een van de flaconnetjes op, die met de verstuiver.
“Desiflex” lees ik, desinfecterende vloeistof voor toetsenborden, computermuizen en telefoons.
Op een volgende “ Antides” het flacon met de schenktuit kan ik lezen dat de inhoud een gel bevat dat het bureaublad bacterie vrij houd.
Als ik het laatste flesje onderzoekt, met een inhoud van desinfecterende gel dat de handen zonder water en zeep virusloos kan houden hoor ik een luid genies.
Mijn waarde flacon rond strooiende collega proest haar neus schoon.
Ik staar naar mijn flaconnetjes die ik stuk voor stuk in de handen gehad heb en kijk de collega weer aan.
‘Taco’s gegeten gisteren’ zeg ik laconiek.
‘Ha, ha’ is haar antwoord en ze gaat verder met uitdelen van haar cadeaux.
De anti-infectie middelen storen mij in het werk, ik krijg er rare gedachten over.
Alles wat ik aanraak krijgt een ziekelijk tintje.
Zelfs de zeeppomp op de bedrijfstoilet is vervangen door een speciale antiflu inrichting.
De papieren handdoekenmachine werkt op afstand.
Even wapperen met de hand en het velletje rolt met een mechanisch geluid uit het apparaat.
‘Alles goed en wel’ denk ik, ‘de deurklink moet toch weer naar beneden anders kom ik niet verder’.
‘En is de cirkel weer rond’ speel ik met de flu gedachte verder als ik mijn telefoon oppakt als deze luidruchtig begint de tuten.
‘En nu helemaal’ als ik op verzoek van de stem in de hoorn enkele toetsen van de computer indruk.
‘Nu is er geen speld meer tussen te krijgen’ schiet mijn gedachten verder al wrijvend over het bureaublad.
De spinsels in mijn brein krijgen de overhand en verzorgen mijn angstige griepienes.
Ik pak het spuitflaconnetje en sproei rijkelijk op het toetsenbord, telefoon en muis.
Neem daarna het flesje met de schenktuit en giet wat middel op het bureaublad.
Reikend naar een papierendoekje dat virusvangend op een stapeltje een bureau verder ligt, stoot ik de flacon met de handgel om waar ik zojuist het dopje van afgedraaid had om even te ruiken of het inderdaad zonder alcohol was.
Als ik na enige moeite het papierendoekje te pakken heb en ik terugzwenk naar mijn eigen bureau ontwaard mij een schuimende en sissende massa desinfecterende bende.
Het borrelt tussen de F1 tot en met de Del toets.
Mijn muis lijkt tot leven gewekt en glibbert met kleine flitsjes.
Het vanochtend met zorg door de schoonmaak gepoetste bureaublad vertoond groene slijmerige snot wat zich dreigt vast te bijten in de fabriekslak.
‘Hier komt één papierendoekje niet van pas’ mompel ik neem een kleine sprint naar het bureau met de grote stapel doekjes.
Ik ruk deze van het bureau en begin driftig mijn werkplek te ontdoen van alles wat enigszins desinfecterend er uit ziet.
De flaconnetjes belanden in de prullenbak.
Het toetsenbord wordt bedekt met doeken en onderste boven gelegd over de prullenbak.
Glibberend wordt de muis in doeken gewikkeld en in bij de hand zijnde doos gegooid.
Met veel doeken begin ik alles wat schuimt, glibbert en groen besnot is te redden wat er te redden valt.
Ik ben net lekker bezig als de telefoon gaat.
Als in een reflex pak ik de hoorn van de haak en druk deze tegen het oor.
‘Met…….Getver de getver’ en kwak de hoorn weer neer.
Naast mijn oor hoor ik gesis en geschuim en als door een bij, wesp, muscito gestoken ren ik naar de toiletruimte.
Alle antiflu regels ten spijt, ik overtreed ze, vlieg ik naar binnen en stort mij op de wasbak en de zwaar geďnfecteerde kraan.
Als ik na mijn schoonmaak beurt terug kom op kantoor tuut de telefoon nijdig.
Met doeken maak ik de hoorn schoon en neemt op.
‘Zeg wat was dat nou’ hoor ik boos de stem van mijn baas.
‘Tja’ zeg ik ‘ik had mij vergist in het juiste flaconntje’.
‘Het juiste wat?’ vraagt hij.
‘We hebben sinds vandaag van die rare desinfecterende flaconnetjes, voor ieder apparaat eentje.
En ik had de verkeerde gebruikt voor de telefoon.’
‘Ja en?’
‘ En toen schuimde mijn oor’ verklaar ik.
Het is even stil en daarna toetert een luid gelach in mijn oor.
‘Och dat heb je met dat opgedrongen smetvrees van tegenwoordig’ probeer ik door het gebulder uit te komen, ‘ je lijkt wel een poetsvrouw tussen de bedrijven door.’
‘Smetpoetsvrouwhouw’ hoor ik nog net voordat de verbinding verbroken wordt.
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 269


Ver. T.H.B.v/h D.V.D.H. (6)
Taal | Verhalen | 07 Augustus 2009 | 21:12:04
 
De oprichting van de vereniging Tot Het Bevorderen van het Dragen Van De Hoed in het straatbeeld (en andere respectabele hoofddeksels).
 
Dhr Berkelmans was lichtelijk bekomen van de dreigende aanval van Dhr Geelwortel en hapte nog wat naar adem, schraapte zijn keel en kneep een beetje met zijn ogen.
‘De geur van uw verrukkelijk ruikenden stampot van de Brassica oleracea var. Laciniata, lokte mij uw niet afgeschermd domein in’ zei hij nog steeds met geknepen ogen.
‘Mijn in vervoering gebrachte neus bracht mij in een extase waardoor ik niet besefte waar ik was’ ging Dhr Berkelmans verder.
‘Dat is de reden dat ik de durf had door te lopen en dat ik een gesprek voer met een ontkokmutste chef de cuisine’ beëindigde hij zijn korte rede en met een aristocratische beweging van zijn pink wijzend naar de zijkant van zijn hoofd.
De beide heren keken elkaar in de ogen en wilden na een korte tussenpozen tegelijk weer het woord nemen.
De letter en woord happende strijd werd gewonnen door Dhr Berkelmans.
Hij vervolgde.’Het is hoogst onhygiënisch en een bacteriële aanslag op de kunst die u uitvoert.
Nu ik u zo aanschouw wint de drang om mijn gezondheid te beschermen het van de heerlijke geur van mijn geliefd gerecht en zal ik in deze hoog aangeschreven etablissement nimmer een vorkje prikken.’
Dhr Berkelmans draaide zich na deze duidelijk terechtwijzing en beslissing op zijn hakken om en verliet de keuken om zijn weg te vervolgen naar het lokaal waar de voorlopige leden van de vereniging Tot Het Bevorderen van het Dragen Van De Hoed in het straatbeeld nog steeds in bezinning waren.
 
‘Wat blijft die voortreffelijke man lang weg’ verbrak Mvr Putjes voorlopig penningmeesters het gezamenlijk stilzwijgen.
‘Hij bezint zich natuurlijk op de belangrijke omzetting van het voorlopige naar het permanente’ fluisterde Mvr van Komen voorlopig Algemeen bestuurslid en lobbyiste tot het bevorderen van het dragen van de hoed met blozende wangen van het denken.
‘Het is mij klip en klaar dat hij ons lichtend voorbeeld kan zijn in deze duistere tijden zonder hoofdbescherming’ deed Dhr Putjes een poging de beslissing vlot te trekken.
 
Louis.

zie: groepslog.punt.nl
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 252


Home   weblog sinds: 2007-06-27

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.